SNEEUW EN HAGEL
Sneeuw en hagel
Soorten sneeuw en hagel
- Poedersneeuw: Fijne, droge korreltjes die moeilijk plakken (ideaal voor skiën).
- Natte Sneeuw: Sneeuw gemengd met water, groot en zwaar, plakt goed.
- Plaksneeuw: Natte sneeuw die goed plakt, geschikt voor sneeuwballen.
- Korrelsneeuw: Zachte, witte korreltjes die opspringen bij het vallen, door bevriezing van waterdruppels op sneeuwkristallen.
- IJzige Sneeuw: Sneeuw met een harde, ijzige bovenlaag door smelten en herbevriezen.
- Motsneeuw: Kleine, natte vlokjes.
- Stuifsneeuw: Bestaande sneeuw die door de wind wordt opgewerveld.
- Korrelhagel (Graupel): Kleine, zachte, ondoorzichtige ijskorrels (2-5 mm).
- Harde Hagel: Grote, massieve, harde ijsklompen, ontstaan in krachtige onweersbuien bij zomerse temperaturen.
- IJsregen: Transparante, zachte ijsbolletjes die ontstaan als lichte regen in de lucht bevriest.
- IJzel: Ontstaat als lichte regen bevriest op een bevroren oppervlak.
Hoe ontstaat sneeuw en hagel?
Hoe ontstaat sneeuw?
- Op grote hoogte waar het koud is (onder 0°C), verandert waterdamp meteen in kleine ijskristallen.
- Deze ijskristallen botsen met andere waterdruppels en stofdeeltjes. Hierdoor worden ze groter en krijgen ze unieke vormen.
- De kristallen plakken aan elkaar en vormen sneeuwvlokken die zachtjes naar beneden vallen.
Hoe ontstaat hagel?
- Hagel ontstaat tijdens onweersbuien door sterke luchtstromen die omhoog en omlaag bewegen.
- Kleine ijsdeeltjes of waterdruppels worden door de wind omhoog geblazen, bevriezen, en vallen weer naar beneden, waar ze meer water (en ijs) verzamelen.
- Dit proces herhaalt zich, waardoor de hagelsteen steeds groter wordt met verschillende lagen ijs (helder en wit).
- Wanneer de hagelsteen te zwaar wordt voor de wind, valt hij als een stevige ijsbal naar de grond.